Verhalen - The City of Sluts


terug naar Verhalen

The City of Sluts
Gepubliceerd in de bundel Zomerse steden

Voor de derde keer vandaag ga ik Starbucks binnen. De twee keer hiervoor ben ik weggelopen, omdat er geen plek was om te zitten, maar dit filiaal is zo groot dat er vast nog wel ergens een stoel vrij is – desnoods bij een ander aan tafel.
               In mijn hotel heb ik al een halve kop oploskoffie gehad. Het was smerig, eerder een medicijn dan een onderdeel van mijn ontbijt dat bestond uit een mueslireep en een kit kat die al sinds mijn aankomst in dit hotel in het mandje met de koffie- en theebenodigdheden lag. De repen gaven me net genoeg energie om de straat op te gaan; nog achttien dagen in Los Angeles, dacht ik, nog 83 Starbucksfilialen te gaan...
               Achter de balie in dit filiaal staan vijf barista’s. Ze vormen een redelijk representatieve mix van de Amerikaanse samenleving: een lange, donkere jongen van een jaar of achttien schuimt de melk op. Naast hem staat een Chinees die verbeten een koffiefilter leegslaat. Bij het afhaalgedeelte staat een streng kijkende blonde vrouw. Ze lijkt haar terrein te beschouwen als een soepkeuken voor daklozen. Ze neemt de bonnetjes in ontvangst en kwakt de papieren bekers als wisselgeld op het kleine ronde plateau. De meisjes achter de kassa zijn latina’s en allebei, het moet gezegd, bloedmooi.
               Het meisje aan de rechterkassa heeft haar lange donkerbruine haar door de opening achter in haar pet gestoken. Het geeft haar iets stoers én vrouwelijks, een combinatie die me aanspreekt. Ook het meisje naast haar heeft een groene Starbuckspet op. Haar hennarode haar krult langs haar oren, de pieken wijzen naar een plek boven mij. Zij nodigt me uit voor haar kassa plaats te nemen.
               Wanneer ik niet meteen iets bestel, vraagt ze: ‘How can I help you?’ Ik zie dat ze tientallen gaatjes in haar oren heeft en verwacht dat ze na haar dienst nog zeker een halfuur bezig is om alle ringetjes er weer in te steken. Ook in haar rechterneusvleugel zit een gaatje. Terwijl ik mijn ogen over haar uniform laat glijden en me voorstel waar verder nog piercings zouden kunnen zitten, bestel ik een kleine cappucino. Op de vraag ‘anything else?’ antwoord ik: ‘Wat raad je me aan?’ Het is een vraag die haar blijkbaar niet eerder is gesteld.
               ‘Geef me maar iets wat jij lekker vindt,’ voeg ik er er vriendelijk aan toe. ‘En neem er dan zelf ook een’.
               Het meisje buigt iets over de kassa heen, haar ogen vernauwen zich. Ze kijkt heel even om zich heen en fluistert dan: ‘Wat ik lekker vind, is van achteren genomen worden terwijl iemand tegelijkertijd een vinger in mijn kut steekt’. Als aan een elastiek veert ze weer naar achteren, ze lacht haar tanden bloot en vraagt zo luid dat iedereen het kan horen: ‘Waar houdt u zelf van meneer?’
               Nu ben ik het die verbaasd kijkt. Haar collega, die met een staart door haar pet, komt naast haar staan en zegt iets in het Spaans. Ik herken de woorden: ‘vent’ en ‘lastig’. Ik bestel snel een ‘muffin of the day’.
               ‘One small cappucino en a muffin of the day,’ herhaalt het gepiercte meisje. Met een vies gezicht pakt ze het beduimelde vijf dollar biljet aan.
               De blonde vrouw echoot de bestelling. ‘To go,’ voegt ze er met nadruk aan toe.
               ‘Ja,’ zeg ik onhoorbaar, ‘die is voor mij’. Ik pak de beker en de muffin van de bar en loop snel naar buiten.

‘Shit, shit, shit, shit,’ zeg ik hardop. Ze zien het aan me. Ze zien het aan de manier waarop ik kijk, aan mijn gebaren, mijn houding. Het zit in de klank van mijn stem, aan de lach op mijn gezicht waarachter mijn tong fladdert als een vogeltje. Ze kunnen het ruiken: een weeë, kaarsachtige geur vermengd met angstzweet en after shave. Zelfs ík ruik het. Ik zie wat zij zien, hoor wat zij horen, maar kan er niets aan doen. Ik ben een perverseling en verdomme: ik wéét het.
               Het enige wat ik als excuus aan kan voeren voor mijn gedrag is dat mijn afwijking tevens mijn beroep is: ik schrijf namelijk over mensen zoals ik.
               Mijn verblijf in L.A. is geen vakantie maar een werkbezoek. Vliegticket en hotelkosten worden betaald door het tijdschrift The Underdog. Ze willen een erotisch reisverslag en hebben met dit snoepreisje tevens bedongen dat ik nog een jaarlang columns voor ze blijf schrijven.
               Om niet voor arrogant versleten te worden beperk ik me hier tot de feiten: de oplage van The Underdog is met 40 procent toegenomen sinds ik met mijn column ben begonnen. Dagelijks komen er brieven binnen op de redactie waarin mijn stukken geprezen worden en steeds vaker krijg ik per post vragen voorgelegd van gefrustreerde en hopeloze mannen, zodat ik nu behalve een column een uiterst succesvolle ‘Beste Arthur’-rubriek heb.
               Dat zijn dus de feiten en nu ik ze zo opschrijf, klinkt dat best wel stoer. Zeker als ik daaraan toevoeg dat ik per column vijfhonderd euro krijg en voor de brievenrubriek nog eens honderd. Het is alles bij elkaar nog geen dag werk, wat mijn loon op een kleine honderd euro per uur brengt. Ik denk dat ik hiermee een van de beste betaalde schrijvers van Nederland ben. Het probleem is alleen dat The Underdog mijn enige werkgever is en ik de rest van mijn werk aan de straatstenen niet kwijt kan.

Los Angeles is geen mooie stad. Om die opmerking in perspectief te kunnen plaatsen moet ik hier misschien aan toevoegen dat ik in Londen woon, in Amsterdam heb gestudeerd en in Hengelo ben opgegroeid. Met die drie steden als ijkpunt kun je natuurlijk niet anders dan kritisch zijn.
               Ik loop nu met mijn koffie door een van de beroemdste winkelstraten van de stad, Rodeo Drive in Beverly Hills. De steeg komt uit op het al even beroemde Santa Monica Boulevard. Het zijn namen die bij mij de sfeer oproepen van decadente luxe, van Hollywood glamour en met goud geplaveide straten. Niets van dat alles. Rodeo Drive bevat de meest banale en lelijke architectuur die ooit in een stad van naam heb gezien. En dat niet alleen, in deze belangrijkste winkelstraat van L.A. lijken alle winkels gesloten. Dus dit is Rodeo Drive waar iedereen die hip, beroemd en rijk is zijn kleren koopt? Het lijkt eerder een open politiebureau: meer dan de helft van de mensen op straat bestaat uit streng patrouillerende agenten.
               Ik wil al doorlopen als ik vanuit mijn ooghoek een taxi aan zie komen. Hij stopt een paar meter bij mij vandaan. De chauffeur stapt uit en houdt de achterdeur open. Twee naaldhakken stappen voorzichtig op de straat. Een vrouw die me bekend voorkomt – maar uit welke film ook alweer? – loopt naar een van de gesloten winkels. Ze draagt een laaguitgesneden groene jurk die tot net boven haar knieën komt en rond haar benen golft alsof er een ventilator op is gericht. Twee politeagenten lopen naar haar toe. Even verwacht ik dat ze haar in gaan rekenen, maar bij de taxi blijven ze staan. Van daaruit kijken ze agressief in mijn richting, tenminste dat denk ik: allebei dragen ze een donkere zonnebril, dus het kan ook zijn dat ze lángs mij kijken. Voor de zekerheid werp ik een blik over mijn schouders, maar ik zie alleen mijn eigen weerspiegeling in de etalageruiten. Ik zie een lange slungel met een spijkerbroek en een zwart T-shirt van Hard Rock Café Amsterdam. Hij houdt een Starbucks beker als microfoon voor zijn mond en begint fluisterend te praten.
               ‘Ik, Arthur Sponk, de grootste pornograaf van Nederland, een held van honderden mannen, een droom van tientallen vrouwen. Zie mij hier staan in L.A., the City of Angels. Een vrouw is uit een taxi gestapt in een zo goed als lege straat. De deur van een winkel – is het wel een winkel? – gaat open, de vrouw glijdt als sigarettenrook naar binnen. Ik, Arthur Sponk, sta op het punt een ontdekking te doen. Wat gebeurt er in Rodeo Drive? Zijn de winkels een dekmantel voor een andere industrie? Arthur Sponk, pornograaf, onderzoeker, sekssymbool, doet verslag van een verborgen kant van L.A., the City of Sluts…
               ‘Can I help you?’ Een mannenstem. Ik kijk in het odieuze gezicht van een politieagent. Zijn ogen zie ik niet, maar ik verwacht dat die net zo leeg zijn als de donkere glazen waarin ik kijk.
               ‘One cappucino, please’ zeg ik voor ik er erg in heb.
               ‘Are you trying to be funny?’ bijt de agent me toe. Nee, denk ik, ik probeer absoluut niet grappig te zijn. Niet tegen een Amerikaan, zeker niet tegen een Amerikaanse politieagent. Dat zeg ik ook, maar het komt er niet helemaal handig uit. Het klinkt eerder als: ‘Natuurlijk niet, iedereen weet dat Amerikanen geen gevoel voor humor hebben.’ En dat blijkt ook als ik een seconde later wijdbeens tegen een etalageruit sta. Ik voel hoe mannenhanden langs mijn lichaam glijden, sluit mijn ogen, denk: het zijn vrouwenhanden – is that a gun you are carrying or are you just glad to see me?
               Ik mag gaan, maar Rodeo Drive is voortaan verboden gebied.

Met een halfvolle beker lauwe koffie, die ik wonder boven wonder niet heb laten vallen tijdens het fouilleren, loop ik een volgende Starbucks binnen. Ik zie een comfortabele pluche stoel en ga zitten. Nog geen drie dagen in L.A. en ik ben nu al bekaf. Toch heb ik niets anders gedaan dan met bekers koffie door de stad lopen en mijn vervuilde gedachten geprojecteerd op alles wat ik zie. Zelfs mijn liefde voor Starbucks is onzuiver begonnen, ze vindt haar basis niet in dorst naar koffie maar in mijn zoektocht naar het fotomodel Marcia Lee.
               Marcia Lee werkt in een Starbucks in Los Angeles. In de Playboy van december 2003 staat een grote foto van haar en van nog vijf andere vrouwen die bij Starbucks werken. Door die foto weet ik dat ze grote, zware borsten heeft en er tussen haar benen uitziet als een jong meisje. In de begeleidende tekst staat dat ze uit Puerto Rico komt, negentien is en studeert – wat ze studeert, staat er niet bij; dat soort details zijn te persoonlijk.
               Ik heb Marcia nog niet gevonden – ik twijfel zelfs of ze ooit langer dan een dag in een koffiebar heeft gewerkt – maar de zoektocht geeft vorm aan mijn verblijf en zorgt ervoor dat ik iedere keer met een kloppend hart Starbucks binnenloop.
               Ik ben een voyeur van het ergste soort. Als er ergens een billboard hangt van Hennes & Mauritz-lingerie dan zorg ik ervoor dat ik er elke ochtend langs kom. Ik zap ’s nachts langs tv-kanalen voor een toevallige blootscene en als ik een krant koop, kan ik niet anders dan ook even een blik werpen op de schappen waar de porno staat. Ik heb nog niet de leeftijd om voor een vieze, oude man te worden uitgemaakt, maar met mijn dertig jaren kun je me toch ook geen nieuwgierige puber meer noemen.
               Sinds ik van mijn afwijking mijn beroep heb gemaakt – zoals een dwerg die voor het circus gaat werken – ben ik alleen maar dieper gezonken. Aanvankelijk drukte ik mijn gedachten nog aan de kant, nu roep ik ze op. Kwam ik vroeger soms per ongeluk expres op een pornosite terecht, nu ga ik er eens goed voor zitten om inspiratie op te doen voor een stukje. Het probleem is echter dat ik me er niet minder ellendig door ben gaan voelen. Integendeel. Ik word echt gek van mezelf. Ik word gek van mijn schielijke blikken op vrouwen, mijn broeiende fantasieën, mijn constante zoektocht naar laaguitgesneden bloesjes, blote oksels en oepsmomenten waarop een rokje net iets te hoog opkruipt of een vrouw zover voorover buigt dat je haar bh kunt zien.
               En nu ben ik in L.A., ik, de Grote Arthur Sponk, succesvol pornograaf, seksgod, held en voorbeeld van honderden lezers, om een erotische reportage te schrijven. Moet ik het wel doen, vraag ik me af? Maak ik het niet erger met elk stukje dat ik schrijf? Ik moet mezelf redden, mezelf zuiveren, maar hoe kan dat in een wereld waar het object van mijn obsessie me als door een megafoon wordt aangeprezen? Hoe kun je van iemand verwachten het parfum van een meisje niet te ruiken als ze langsloopt, de warmte van haar lichaam niet te voelen als ze naast je staat, haar borsten niet te zien als ze een nauw truitje draagt, niet naar haar benen te kijken als ze een miniscuul rokje aanheeft? Verdomme, daar kan ík toch niets aan doen? Ík heb er toch niet om gevraagd in deze verdoemde tijd te leven? Ík heb de jaren zestig niet uitgevonden! Wat mij betreft gaan we per sneltrein terug naar de jaren vijftig of naar de zwoele maar kuise jaren twintig waarin je nog opgewonden kon raken van een blote enkel en alles zich in zwart-wit afspeelde.
               ‘Is deze stoel vrij?’ Een hoog, poppig stemmetje onderbreekt mijn gedachten. Ik kijk op en zie twee grote, bruine ogen met wimpers van ruim een halve centimeter. Ik zie halflang donker haar en een wit, wollen mutsje. Ik zie een bleek gezicht met opgetrokken, vragende wenkbrauwen. Ik zie een schoonheidsvlek naast een grote, spitse neus. Ik zie glanzende, halfopen lippen, blinkende tanden... Terwijl ik haar beter bekijk en me van binnen week begin te voelen, is het alsof de omgeving van kleur verandert. De muziek verdwijnt, komt dan weer terug in de vorm van een krakerig jazzbandje. De koffieshop krimpt, het wordt er rokerig.
               Ik sta op en schuif haastig een stoel bij. ‘Natuurlijk mevrouw, gaat u zitten. Mag ik misschien uw jas aannemen?’
               ‘Dat is heel vriendelijk van u,’ zegt ze geamuseerd. ‘Maar ik heb geen jas aan.’
               ‘Natuurlijk niet, neem me niet kwalijk, waarom zou u ook met dit weer?’ Ik lach toegeeflijk.
               Om me heen zie ik dat er meer stoelen vrij zijn en zelfs een enkele tafel. De vrouw heeft er vreemd genoeg voor gekozen om naast mij te gaan zitten en die gedachte moedigt me aan een gesprek te beginnen. Ze pakt bovendien niet direct een boek uit haar handtas, of een veiltje voor haar nagels; ze is beschikbaar voor een gesprek. In de zwart-witwereld waar wij ons nu bevinden, moet ik, de man, het initiatief nemen. Het was zelfs lichtelijk ongepast van haar, denk ik nu, om bij een man aan tafel te gaan zitten – dat is geen hint meer maar een regelrechte uitnodiging.
               ‘Zo,’ zeg ik om in elk geval het eerste woord gesproken te hebben. ‘Zo, zo…’ Ik wil voortvarend zijn, maar niet onbeleefd. Wat kan ik vragen zonder te affronteren? Of moet ik eerst iets over mezelf vertellen?
               ‘Ik kom uit Nederland,’ vertel ik, gevolgd door de vraag: ‘Waar komt u vandaan?’ Zo hoort het geloof ik: je begint met een antwoord op je eigen vraag en stelt hem dan aan de ander. Het zou handig zijn als er meer regels waren, zoals bij schaken: de opening is bij dit spel nooit een probleem, de eerst tien minuten kun je blind invullen en toch is het niet saai voor de spelers.
               ‘Ik kom uit Pasadena,’ antwoordt ze, ‘dat is zo’n veertig mijl van L.A.’
               ‘Zo,’ zeg ik weer, ‘Pasadena… Ik ken een band die heet The Pasadena’s, die komen daar vast ook vandaan.’ En geloof me of niet, deze toch wat lullige opmerking blijkt een schot in de roos te zijn. De vrouw heeft een oom die bij The Pasadena’s speelt en zelf heeft ze als jong meisje wel eens meegezongen met de band. ‘Maar dat was geen succes.’ Nu is ze actrice, zegt ze. Ze heet Mary maar noemt zichzelf Mariah, ‘want met een naam als Mary kom je er niet’.
               Ik zeg dat ik een schrijver ben en zij: ‘Wow, schrijven, dat lijkt me heel moeilijk. Ben je beroemd?’
               ‘Een beetje,’ antwoord ik en ik probeer daarbij bescheidenheid te veinzen door mijn antwoord weg te wuiven en naar de tafel te staren. ‘Maar niet hier.’
               ‘In Europa?’
               ‘Ja, in Europa kennen de meeste mensen me wel.’
               ‘Dat dacht ik al, je ziet er beroemd uit.’
               Ik stel voor een stuk door de stad te wandelen.
               Als Mariah opstaat, blijft mijn blik automatisch op haar borsten rusten. De kleur keert terug. De pornograaf laat weer van zich horen.
               Ik vloek binnensmonds. ‘Ik geloof dat we het niet moeten doen,’ zeg ik.
               ‘Wat?’ vraagt Mariah, ‘door de stad wandelen? We kunnen ook een taxi nemen, hoor, dat is sowieso handiger. Ik zag toch al niet echt zitten om tussen de zwervers te lopen.’
               ‘Ik ben ziek,’ zucht ik.
               ‘Te veel koffie?’
               ‘Te veel… gedachten.’
               Ze buigt zich bezorgd over me heen en legt een hand op mijn schouder. De hand glijdt over mijn borst. Ik voel hoe Mariah in mijn nek ademt. Ze likt aan mijn oor en fluistert: ‘Laten we het doen, hier. Ik wil jou. Ik kan niet langer wachten…’
               ‘Wat voor gedachten?’ vraagt ze.
               ‘Het is eigenlijk maar één gedachte.’
               ‘Laten we naar buiten gaan. Wat die gedachte ook is, ik zal haar verdrijven’.

In een taxi rijden we door Los Angeles. Op Cañon Drive komen we voor een rood stoplicht te staan. Recht voor ons, achter een volmaakte driehoek van gras en kunstig geplaatste bomen, zie ik de koepelvormige daken van een roze sprookjespaleis. Een Amerikaanse vlag prijkt op de hoogste koepel.
               Mariah legt een hand op mijn knie. De hand kruipt omhoog tot aan mijn gulp. Ik merk dat ze opgewonden raakt van wat ze daar aantreft. Ze wrijft over mijn broek alsof het gaat om Aladdins olielamp en een wens mag doen ze als ze blijft wrijven.
               ‘Kijk, dat is het Beverly Hills Hotel. Brengt het je al op andere gedachten?’
               We rijden de driehoek voorbij. Ik krijg het hotel nu van een andere kant te zien. Het is indrukwekkend in een soort bruidstaartachtige lelijkheid. Het lijkt wel een enorm homomonument met al dat roze en die kitscherige vormen.
               ‘10048 Cielo Drive, zegt je dat iets?’
               Ik schud mijn hoofd.
               ‘En 10050 Cielo Drive?’
               Ook niet.
               ‘Het is de plek waar de bende van Charlie Manson, Sharon Tate vermoorde. Ze hebben het huisnummer veranderd om toeristen te misleiden: 10050 is nu 10048, maar het huis is natuurlijk hetzelfde. En hier, op 1579 Benedict Canyon Drive, pleegde George Reeves zelfmoord. Weet je waarom? Iedereen zag hem altijd maar als Superman. Hij kon geen andere rollen meer krijgen. En hier woonde Elvis Presley, en hier…’
               Ik laat mij rondrijden door een taxi met Mariah als mijn gids. We zien de huizen van beroemdheden – Jack Nickolson, Warren Beatty – de namen komen voorbij als op de aftiteling van een film. Mariah heeft blosjes op haar verder bleke gezicht. Haar ogen zijn dromerig.
               ‘Weet je,’ zegt ze. ‘Ik denk óók maar aan één ding: aan hoe ik ooit beroemd kan worden en in een van deze huizen kan wonen. Elke dag rijd ik hier in een taxi. Ik ken elk huis, en kijk: deze mensen heb ik allemaal al gezien.’
               Ze laat me een boekje zien met namen erin. Ik zie Johnny Depp staan, Jon Bon Jovi, Brad Pitt.
               ‘En nu zit ik hier met jou in een taxi. Een Europese beroemdheid. Mag ik je handtekening?’
               Ze trekt haar jurk omhoog en wijst op haar borsten. ‘Daar,’ hijgt ze. ‘Ik wil je handtekening op mijn borsten.’
               ‘Wat is er? Vind je het een rare vraag?’
               ‘Natuurlijk niet, waar wil je hem hebben?’
               Ze pakt een ander boekje uit haar handtas. ‘Hier verzamel ik alle handtekeningen.’ ‘Voor Mariah,’ staat er op de laatstbeschreven bladzijde. ‘Tom Cruise’.
               ‘Ah, Tom staat er ook in.’
               ‘Ken je hem?’ vraagt ze verrukt.
               ‘Ik heb hem weleens ontmoet op een première. Aardige man.’
               Ze knijpt in mijn bovenbeen. Moet ik me schamen voor wat ik nu doe, voor wat ik van plan ben? Nee, besluit ik, we zijn twee volwassen mensen, allebei met een obsessie. Ik bevredig de hare, zij de mijne; het lijkt me een eerlijke uitwisseling.
               ‘We zijn allebei ziek, Mariah. Jij bent mooi, ik beroemd.’
               Ze kijkt me aan met grote, koortsachtige ogen.
               Mag ik met mijn beroemde mond jouw lippen kussen? Met mijn beroemde vingers jouw lichaam beroeren? schrijf ik in het boekje. Arthur Sponk.
               ‘Dank je,’ zegt ze als ik het boekje teruggeef. Zonder te kijken stopt ze het in haar tas. ‘Ik moet zo naar dansles. Het is belangrijk voor een actrice om te kunnen dansen, je moet één kunnen zijn met je lichaam. Mijn leraar zegt dat ik talent heb.’
               ‘Dat geloof ik meteen, Mariah. Jij komt er wel.’
               Ze glundert. ‘Je mag mee als je wilt, dan kun je me zien dansen. De anderen willen je vast ook graag ontmoeten.’
               Meteen zie ik haar voor me in een balletpakje, dansend met andere vrouwen die halfnaakt op en neer springen op opzwepende muziek; gladde benen, strakke buiken, trillende borsten…
               Ik duw het beeld aan de kant en bedank vriendelijk, zeg dat ik nog moet schrijven – de gedachte is genoeg, méér kan ik vandaag niet aan. Ik zit vol, moet mezelf eerst ontladen voor ik andere dingen mee kan maken. We rijden nog een minuut of tien door de stad. Af en toe wijst Mariah me op een bezienswaardigheid, of een beroemdheid die ik niet ken.
               Ergens in West Hollywood stopt de taxi.
               ‘Nou, dag dan!’ Mariah verdwijnt in een groot gebouw.
               ‘Meneer?’ De taxichauffeur kijkt over zijn stoel naar achteren.‘Stapt u ook uit, of kan ik u nog ergens anders naartoe brengen?’
               ‘Brengt u mij maar naar de dichtstbijzijnde Starbucks.’
               De taxi rijdt een meter of tien vooruit.
               ‘Alstublieft, meneer.’ Hij noemt een bedrag.
               Ik betaal en loop Starbucks binnen. Het is een klein filiaal, er staat één meisje achter de bar. Meteen herken ik haar als de vrouw uit Playboy, Marcia Lee. Ik pak mijn aantekenboekje uit mijn achterzak en leg het op de bar.
               ‘Mooie borsten,’ zeg ik, terwijl ze haar handtekening zet op een lege bladzijde in het boekje.
               Ze lacht dankbaar en vraagt of ik verder nog iets wil.
               Ik bestel een cappucino, ‘a large one’, voeg ik eraantoe, want ik denk dat ik nog wel even blijf zitten.

terug naar Verhalen