terug naar
Pers
Plagiaat
Kort verhaal door Arthur Sponk
Met mijn allerlaatste geld ging ik binnen bij een café in Spring Street, tegenover een antiquariaat waar ik al een uur verveeld had rondgehangen en achterdochtig werd aangestaard door de man achter de toonbank. Het café zag er ongezellig uit, met plastic stoelen en grote witte tafels en het rook er naar verschraald bier en toiletverfrisser. Het enige wat de ruimte nog een beetje sfeer gaf was de houten vloer die vol lag met zand dat knarste onder mijn oude gympen. Er stond geen muziek op en het leek zelfs of het verboden was er te praten, want geen van de mannen die er zaten te drinken – allemaal boven de zestig – zei iets. Even dacht ik erover om weer naar de uitgang te lopen, maar ik was te moe om op zoek te gaan naar een ander café en het was hier goedkoop. Ik had nog precies een dollar en op de prijslijst boven de bar zag ik dat dit genoeg was voor een kop koffie en misschien kon ik zelfs een
refill krijgen. In veel cafés in Amerika hadden ze een soort knapzaksysteem: je kocht een kop koffie die zo vaak als je wilde gratis werd bijgevuld. Op die manier moest ik het wel een paar uur vol kunnen houden, dacht ik en wie weet zou zich in die tijd een oplossing aandienen voor mijn probleem: mijn vriendin had me vannacht op straat gezet en ik moest een manier zien te vinden om haar terug te winnen. Ik ging zitten aan een van de tafels tegen de muur en legde mijn hoofd te rusten in mijn handen.
Het enige wat me kans gaf op slagen, bedacht ik terwijl ik op de koffie wachtte, was een goede baan, veel geld – of het langverwachte contract van een uitgever, maar daar hoopte ik zelf al niet echt meer op. Mijn boek was af en het was mislukt, ik had geen agent nodig om me dat te vertellen. Toen ik vorige maand zijn brief kreeg was ik nauwelijks verbaasd. Het viel me alleen zo tegen dat hij me luiheid verweet. In een gesprek met hem had ik dit nog wel met zoveel verve verdedigd: mijn luiheid had de vorm van een principe, had ik gezegd, literatuur moest zo direct mogelijk zijn. De inkt moest als het ware rechtstreeks uit je hoofd stromen het papier op, alleen dan was het de moeite waard. Elke verandering is een verarming. Ik verwees daarbij naar Kerouac en zijn principe van
spontaneous writing. Kerouac is mijn held, al moet ik toegeven dat ik alleen
On the Road heb gelezen.
Een goede baan dus, de andere manier om weer in het gevlij te komen van mijn vriendin. Maar voor werken was ik veel te trots. En ook hier, dat wist ik best, was trots een masker. Want wat zou ik kúnnen doen? Zelfs mijn baan bij Starbucks was uitgelopen op een mislukking, omdat ik niet vriendelijk genoeg lachte en iedere keer vergat te vragen of de klanten iets te eten wilden bij hun koffie. Het antwoord was toch steevast ‘nee’, dus waarom zou ik het vragen? Wat dacht de manager, dat mijn vraag de klanten op een idee bracht? Hé ja, nu je het vraagt, ik heb eigenlijk best wel honger. Vind je het niet erg dan als ik er wat te eten bij neem? Op een gegeven moment moesten we zelfs een speldje op met de tekst ‘Are you hungry?’ wat ik nogal gênant vond. Ik stond toch al zo voor lul met die rare groene pet op mijn hoofd en dat veel te grote schort voor. Moest ik nu ook al dienen als prikbord? Misschien konden mensen binnenkort berichten op mij achterlaten: te koop, een dames- en herenfiets zo goed als ongebruikt. Ik vond het al erg genoeg om een badge te moeten dragen met mijn naam erop – Arthur, op die manier werd ik er zelf steeds weer aan herinnerd dat ík die loser was die daar stond. Arthur Sponk, wat ben je toch aan het klooien, dacht ik als ik mijn naam zag staan. Wanneer schrijf je eindelijk eens dat boek waar de hele mensheid op zit te wachten?
Maar met schrijven wilde het op het moment niet zo vlotten, dus misschien moest ik toch maar eens serieus overwegen of een carrière bij Starbucks niet realistischer was. Al vroeg ik me af of ik met een baan bij Starbucks mijn vriendin terug zou kunnen winnen, mijn vriendin De Succesvolle Advocate die eigenlijk alleen geïnteresseerd was in mij omdat ze dacht dat ik een beroemde schrijver was in het verre Nederland.
In Nederland had ik inderdaad wel eens iets gepubliceerd in met de hand gekopieerde blaadjes en op websites. Ik had zelfs een roman op mijn naam staan, maar die was uitgeven door mijn oom die werkte voor een lokale uitgever die gespecialiseerd was in esoterische boeken. Ik had altijd een exemplaar bij me en op de een of andere manier had ik mijn vriendin ermee kunnen overtuigen dat ik een kleine beroemdheid was in eigen land die vastberaden was het ook in Amerika te gaan maken als schrijver. Alleen viel dat nog niet mee in het Engels, vandaar dat het zo lang duurde, hield ik haar voor toen ik een jaar later nog steeds niets gepubliceerd had. Ik had tijd nodig voor ik de nieuwe Nabokov zou zijn, maar vannacht had ze definitief haar vertrouwen in mij verloren. Dat was helemaal mijn fout, maar toch ook een beetje de hare. Had ze de druk maar niet zo op moeten voeren.
Het was slechte koffie. De geur alleen al deed me kokhalzen, het leek of er een oude poetsdoek op de bodem van de kop lag te weken. En de koffiemelk was overdatum. Toen ik de room in de beker goot, viel het in kleine groenkleurige brokjes uiteen. Dit was mijn allerlaatste geld, dacht ik en ik begon me behoorlijk op te winden. Ik keek rond en zocht naar de serveerster. Ze was een paar tafels verderop bier aan het serveren en ik probeerde haar aandacht te trekken. Heel even keek ze mijn kant op, maar toen ik haar wilde wenken, draaide ze zich met een lach om naar een van haar klanten. Ik zag de glinsterende strook wit tussen haar lippen die zwaar waren aangezet met rode lippenstift en had het idee dat ik haar ergens van kende. Die platte neus, die grote neusgaten, die
amandelvormige ogen, die donkere huid… Verdomd, dacht ik, ze leek als twee druppels water op Camilla Lopez, een personage
uit Ask the Dust van John Fante! Zelfs de manier van lopen deed me aan haar denken, alsof ze twee grote pullen bier onder haar bloes had verstopt:
as she walked her breasts moved in a way that showed their firmness.
Waarom maak ik toch altijd dingen mee die anderen al eens hebben meegemaakt, vroeg ik me af? Zo kan ik toch ook niet helpen dat ik af en toe iets schrijf wat al eens geschreven is? Als dat plagiaat is, dan bestaat mijn hele leven uit plagiaat. Heeft mijn vriendin me daarom weggestuurd? Omdat ze me onorigineel vindt? Voor mij tien anderen? De gedachte bracht me terug naar mijn huidige situatie en met tegenzin dacht ik na over wat er was gebeurd.
Omdat ik het voorgevoel had dat mijn vriendin me zou verlaten als ze zou horen over de afwijzing van mijn agent, moest ik ervoor zorgen dat ik snel iets gepubliceerd kreeg. Het maakte niet uit waar, elke publicatie voldeed, als er maar iets van een succes stond tegenover de afwijzing. Het moest in het Engels zijn, zodat ook mijn vriendin het kon lezen en trots zou zijn en me nog een tijdje in huis duldde, terwijl ik werkte aan een volgend succes, aan wat er in mij broeide maar ik nog niet echt onder woorden kon brengen – dat had tijd nodig. Een publicatie zou wonderen doen, dacht ik, maar na een blik op mijn verzameld werk dat ik bewaarde in mijn bureaula liet ik me teleurgesteld neerzinken op mijn bank, mijn ogen jaloers gericht op de boeken in mijn boekenkast.
Ik deed wat ik meestal deed in een situatie als deze: ik pakte een boek van de plank –
Ask the Dust, dat wist me altijd weer op te krikken – en begon te lezen. Voor ik het wist had ik de bank verruild voor mijn bureaustoel en de hele dag werkte ik aan een verhaal dat als één stroom uit mijn pen vloeide en ik diezelfde dag nog opstuurde naar de L.A. Review. Mijn voorgevoel zei me dat het geplaatst zou worden, wat me de rest van de week in een lichteuforische stemming bracht en zelfs het vertrouwen van mijn vriendin in mij weer iets herstelde. Zij moest hebben gemerkt dat er iets bijzonders ging gebeuren, dat het dit keer geen leugens waren die ik haar vertelde, maar dat ik echt op de grens van een grote doorbraak verkeerde. Het bewijs zou spoedig geleverd worden en een weeklang viel ze mij niet lastig met vragen over hoe het ermee ging, of ik al iets gehoord had en of ik misschien niet toch eens een baan moest gaan zoeken. Mijn succes hing in de lucht. Je kon het ruiken, je hoorde het aan het gefluit van de vogels. Het was als de lente. Een nieuwe lente, een nieuw geluid, zei ik tegen haar en ze geloofde het. Vanaf nu zal alles ander worden, beloofde ik. Maak je niet langer zorgen. Ik, Arthur Sponk, ga het helemaal maken.
Het verhaal verscheen. Ik durfde het niet te lezen uit angst dat ik fouten tegen zou komen waardoor mijn opwinding zou verdwijnen en liet de
L.A. Review voor mijn vriendin op tafel liggen. Ik ging naar de bank om de cheque in te wisselen die ik voor de publicatie had gekregen en kocht een paar flessen dure wijn en wat delicatessen in een Italiaanse winkel op de hoek. Toen ik terugkwam, zat mijn vriendin op de bank met de
L.A. Review in haar handen. Ik kon zien dat ze onder de indruk was. Ze had tranen in haar ogen en haar wangen waren iets roder dan anders. ‘En,’ vroeg ik zacht. ‘Wat vind je ervan?’ Ze reageerde niet. ‘Lees eerst maar even uit,’ zei ik. ‘Dan maak ik intussen de fles wijn open.’ Op mijn tenen sloop ik naar de keuken.
Niet veel later stond mijn vriendin voor me. Ze hield de
L.A. Review als een moordwapen in haar handen en keek me aan met een blik vol spot en agressie, en misschien een héél klein beetje medelijden.
‘Dus dit heb jij geschreven?’ vroeg ze met ingehouden woede. Er landden een paar druppeltjes speeksel op mijn handen waarmee ik onbeweeglijk de kurkentrekker vasthield.
‘Euh, ja,’ zei ik zacht.
‘Ben jij dan John Fante?’
‘Euh, nee. Ik ben Arthur Sponk.’ Ik begon te zweten en wist niet goed waar ik moest kijken. Het klonk als een leugen, ik, Arthur Sponk. Straks gaat ze me nog om mijn paspoort vragen.
‘Ik wil dat je nu je spullen pakt en mijn huis uitgaat, Arthur Sponk. Ik heb geen zin meer in die eeuwige leugens van je.’ Ze zei het beheerst en streng, alsof ze een cliënt te woord stond die ze niet langer wilde verdedigen – en misschien was het wel door die toon dat ik een minuut later al de deur achter me dichtdeed, met alleen de flessen wijn en de kurkentrekker in mijn handen. De druppeltjes speeksel zaten nog steeds op mijn handen, zag ik met een zekere nostalgie toen ik buiten stond en me afvroeg wat ik in vredesnaam met mijn leven aanmoest. Ik, Arthur Sponk, dacht ik, een gewone jongen met een gewoon leven waar niets bijzonders over te vertellen is.
De serveerster keurde mij na ons korte oogcontact geen blik meer waardig. Ik had niet de moed of de energie voor een scène en had met tegenzin toch maar een paar slokken koffie genomen. Ik verliet het café en aan de overkant van de straat moest ik overgeven. Een gedeelte van mijn dunne braaksel kwam terecht tegen het raam van het antiquariaat waar ik nog geen uur geleden verveeld tussen de boekenrekken had rondgelopen. Door de drab heen zag ik een man in grote passen naar de deur lopen. Zo snel als ik kon liep ik bij de etalage vandaan.