|
Het is feest. Elle is vandaag vijftien geworden – de leeftijd van een minderjarige die maar wat graag volwassen wil zijn. Voor een meisje niet iets om groot te vieren, voor een tijdschrift wel. Ook ik heb iets te vieren: ik heb de eerste prijs gewonnen van
Elle’s literatuurwedstrijd. Ik loop hier nu rond als V.I.P, en werkelijk, het voelt alsof ik ín het tijdschrift terecht ben gekomen: overal zie ik glossy fotomodellen, of vrouwen die het zouden kunnen zijn. Het zal moeilijk worden om de openingszin ‘Jij bent vast model’ te vermijden, maar ik zal mijn best doen.
Een paar vrouwen ken ik van gezicht. Daar in die hoek met die tennisser is natuurlijk Daphne Deckers. Een erg mooie vrouw, zelfs nu, op haar leeftijd (35), en na het baren van twee kinderen. De zusjes Schuurman zijn er ook, en Angela en Debra, vooral háár zou ik wel wat beter willen leren kennen. Ik vraag me af of ze mijn verhaal heeft gelezen. En of ze er blij mee is dat ze erin voorkomt.
Ik ben geen mooie jongen, daar hoef ik verder niet omheen te draaien. ‘Maar ik ben schrijver, en schrijvers zijn interessant.’ Dat zeg ik elke ochtend tegen mezelf als ik opsta en met een suf hoofd in de spiegel kijk. Rond mijn spiegel in de badkamer hangen ansichtkaarten van andere auteurs; de pokdalige Kloos, de vlezige Thomas Rosenboom, de grootneuzige Mulisch… alle portretten die ik bij het Letterkundig Museum maar kon krijgen. En temidden van deze mislukte hoofden prijkt mijn eigen slaperige gezicht.
‘Je bent niet mooi,’ zeg ik dan. ‘Je ogen gaan nog wel, donkerbruin, een melancholische kleur, het “pigment van de poëzie”. Maar ze liggen te diep, alsof ze zich uit schaamte terugtrekken. Je wenkbrauwen zijn die van een oude man, je neus is krachteloos, je mond te klein, je kin steekt vooruit… Maar,’ voeg ik er dan met kracht aan toe. ‘Je bent een schrijver. En schrijvers zijn interessant.’ En zo is het natuurlijk. Wie kan schrijven, heeft iets te melden. Zelfs als dit ‘iets’ alleen maar leegte is, zoals bij mij. Het is in elk geval mooie leegte. Dat is wat mijn verhalen gemeen hebben met deze vrouwen. Mooi en leeg, als betekenisloze alliteraties. ‘Wie niet sterk is, moet slim zijn,’ zeggen ze. ‘Wie niet mooi is, moet schrijven,’ wil ik daar graag aan toevoegen. (Arthur Sponk, 2004)
Hoewel ik niet mooi ben – maar genoeg daarover – heb ik toch het gevoel dat mensen vanavond naar me kijken. Misschien komt dat omdat ik Ronald Giphart een hand heb gegeven; iets van zijn schrijversaura is in mij overgelopen. Zijn warme, droge hand kneep hard in de mijne, alsof hij hem uit wilde wringen. Ik heb slechte doorbloeding; dat komt door het vele zitten, denk ik. Maar na Gipharts handdruk voelde ik mijn bloed stromen. Mijn vingers tintelden, mijn voeten gloeiden, mijn ballen zakten naar beneden, mijn pik ontkreukelde zich… Maar het meeste bloed steeg naar mijn hoofd.
‘Je hebt talent,’ had Giphart gezegd, terwijl hij mijn hand vasthield.
Ik denk dat deze opmerking is rondgefluisterd, want ik merk nu dat de vrouwen aarzelend dichterbij komen. Niet veel langer en ze zullen onhoudbaar zijn. Zeker als ik op het podium mijn verhaal heb voorgelezen. Met mijn woorden zal ik de harten veroveren van de vrouwen in deze zaal. Naderhand zullen ze naar mij toe komen en mij verzoeken om méér mooie woorden. Ik zal minzaam glimlachen en zeggen: ‘Niet hier. Laten we de leegte elders voortzetten.’ Dan verlaat ik het feest met in mijn kielzog een trits fotomodellen. Wat er daarna gebeurt, daar wil ik verder niet over uitweiden. Ik zie een kamer voor me vol met naakte vrouwen, en kleren verspreid over de vloer; in die richting moeten we het geloof ik zoeken.
Ik pak een glas witte wijn van een dienblad en kijk onderzoekend om me heen – een pose: ik onderzoek helemaal niets. Sterker nog: ik neem nauwelijks iets waar. Mijn gezichtsveld begint korrelig te worden als bij een oude televisie, en lijkt elk moment uit elkaar te kunnen vallen. Ik loop naar een muur en leun er zo nonchalant mogelijk tegenaan. Het is alsof ik mezelf in een standaard zet om te voorkomen dat ik omval. Iemand heeft de paniekknop van mijn lichaam ingedrukt.
Straks moet ik voorlezen.
Ik kijk naar het podium. Ik kijk naar de mensen om me heen. Al deze mensen zullen naar het jongetje op het podium staren. Het papier in zijn handen trilt, dat is zelfs helemaal achterin te zien. Het trilt zodanig dat het jongetje de tekst niet kan lezen. ‘Het is feest,’ zegt hij met een onzekere, bijna onhoorbare stem. ‘Onze school bestaat vandaag 75 jaar.’
Ik schud de herinnering van me af. Letterlijk, ik beweeg mijn hoofd alsof er een vlieg om me heen hangt. Wijn gutst over de rand van mijn glas en komt op mijn kruis terecht. Ik vloek zachtjes, maar blijkbaar toch zo hard dat een vrouw die langsloopt me hoort en verstoord omkijkt. Duidelijk geen model.
‘Sorry,’ zeg ik. ‘Er heeft een duif op mijn hoofd gepoept.’ Ik weet niet waarom ik dat zeg. Het slaat nergens op, dat weet ik ook wel. Op de een of andere manier lijkt het me ongepast om over mijn kruis te beginnen.
‘Ik ben schrijver,’ zeg ik ter verklaring. De vrouw blijft me onbeweeglijk aankijken. Heb ik weer, denk ik nog. Ben ik op een feest met allemaal prachtige vrouwen, raak ik in gesprek met iemand die ik op een lezing over biologisch tuinieren tegen zou kunnen komen. ‘Schrijvers zeggen dit soort dingen,’ voeg ik er voor de duidelijkheid nog aan toe.
‘Ik ben ook schrijfster,’ zegt ze, ‘maar ik heb heb nog nooit gezegd dat er een duif op mijn hoofd heeft gepoept.’
‘Misschien ben je niet zo’n goede schrijfster,’ opper ik.
‘Ik heb anders de derde prijs gewonnen met
Elle’s literatuurwedstrijd,’ zegt ze bits.
‘Precies, de dérde prijs. Ik daarentegen…’ Ze heeft zich omgedraaid en met kleine, schuifelende pasjes loopt ze weg.
Behalve met de schrijfster heb ik met niemand contact. Mijn onderzoekende blik geeft de vrouwen wellicht het vermoeden dat ze me niet mogen storen, dat ze de roman die in mijn hoofd ontstaat de ruimte moeten geven. Komt het hierdoor dat er een steeds grotere afstand ontstaat tussen mij en de rest? Lezen ze ‘niet storen’ op mijn gezicht?
Ik doe voorzichtig een stapje de zaal in. Zo gauw ik de muur niet langer tegen mijn rug voel, begint het te duizelen. Met de muur lijkt ook de vloer verdwenen. Het is alsof ik uit een vliegtuig ben gestapt voor een parachutesprong en nu door de lucht suis. Aarzelend schuif ik weer terug. Met mijn hand voel ik achter me, op zoek naar de muur, naar houvast. De muur vind ik niet, maar wel iets anders. Voor ik thuis heb kunnen brengen wat ik in mijn handen heb, krijg ik een duw tegen mijn rug. Nu vlieg ik echt. Als een
stagediver val ik in de menigte. Met een klap kom ik op de vloer terecht. Mijn glas valt vlak voor mijn gezicht in scherven.
‘Hij is schrijver,’ hoor ik iemand zeggen.
Ik sta nog steeds met mijn rug tegen de muur. Dit is wat er zóu gebeuren als ik een stap had gezet. Ik heb flashbacks en flashforwards, allebei even onprettig. Maar ik heb ook dromen en die zijn over het algemeen erg mooi. Zo droom ik soms dat ik een succesvolle schrijver ben. Ik droom dat ik prijzen win. De Librisprijs, De Gouden Uil en natuurlijk de meest gewilde en prestigieuze prijs, die van
Elle’s Literatuurwedstrijd. Ik droom dat ik word uitgenodigd voor het
Elle-feest en uit de hand van Daphne Dekkers de cheque krijg overhandigd, omringd door andere modellen. En dat ik dan iets grappigs zeg en mensen moeten lachen. Niet óm mij, omdat ik de tekst op het papier vanwege de zenuwen niet kan lezen, maar omdat het echt grappig is wat ik zeg.
En dat ik dan dit verhaal voorlees. Zonder te haperen.
terug naar
Pers
|