Pers - Feestrede door Arie Storm


terug naar Pers

Feestrede ter gelegenheid van de presentatie van Blauwe ogen
door Arie Storm

Walter Kraut, gefeliciteerd met de verschijning van je roman, je eerste, en dat er nog vele mogen volgen! Zo, die zin is eruit. Straks krijg je uit handen van mij het enige eerste exemplaar. Wees er zuinig op, het zal een blijvende herinnering zijn aan deze heuglijke dag - niet alleen heuglijk voor jou, maar ook voor de Nederlandse literatuur, ach, laat ik niet bekrompen doen, het is een heuglijke dag voor de gehele wereldliteratuur. En ja, wij waren er allemaal bij.
               Een vergelijkbaar praatje als dit en eenzelfde handeling, namelijk het aan de auteur overhandigen van het eerste exemplaar van zijn boek, heb ik driemaal eerder mogen doen. Een keer bij een boek van Edzard Mik, een keer bij Marcel Maassen en een keer bij Peter Drehmanns. Laat deze namen even goed op u inwerken. Elk van die boeken is vervolgens, in elk geval commercieel gezien, min of meer geflopt. Enige durf kan Walter Kraut dus niet worden ontzegd, ik bedoel, dat hij mij hiervoor heeft gevraagd. En hij heeft mij, zo verzekerde zijn redacteur Vincent Schmitz me, ik heb er nadrukkelijk naar geďnformeerd, speciaal gevraagd. Connie Palmen, Herman Brusselmans of Johan Cruijff konden blijkbaar niet, dacht ik nog, maar nee hoor, Walter Kraut wilde míj als feestredenaar hebben.
               Ik ken Walter Kraut niet, vandaag ontmoet ik hem voor het eerst. Ik ken hem natuurlijk wel als recensent voor de christelijke ochtendkrant Trouw, hij heeft daar zelfs een keer een roman van mij besproken. Het ging toen om de roman De ongeborene, een boek dat mijn relatie bijna naar de knoppen heeft geholpen, een boek dat ervoor heeft gezorgd dat de familie van mijn vriendin mij door Bulgaarse huurmoordenaars om zeep wilde laten helpen, een boek dat tot gevolg had dat mijn buren nooit meer met mij wilden praten en een boek waardoor ik uiteindelijk in het ziekenhuis ben beland met een flink uit de hand gelopen maagzweer. Walter Kraut schreef doodleuk in de krant: ‘De ongeborene is een van de meest komische romans van de afgelopen jaren.’
               Nou, Blauwe ogen is ook erg grappig, als je tenminste de humor kunt inzien van wat bedrog hier en daar, van winkeldiefstal, van alcoholmisbruik en daaruit voortvloeiend zinloos geweld én van een duidelijk gevalletje incest, en zo nog enige andere door autistisch gedrag veroorzaakte delicten. Ik kan het boek eigenlijk niemand aanraden, je krijgt er maar rare ideeën van.
               Dat is natuurlijk ook meteen de kracht van Blauwe ogen: het is een ongemakkelijk boek. En dan bedoel ik niet ongemakkelijk in de zin dat het moeilijk is om te lezen, dat is niet het geval, Walter Kraut schrijft juist akelig helder en precies, nee, het laat bij de lezer een ongemakkelijk gevoel achter.
               Bedankt Walter Kraut, ik ben nog steeds niet helemaal van je boek hersteld.
               Maar goed.
               Wat me tijdens het lezen het meest aantrok in het boek is het geraffineerde spel dat erin wordt gespeeld met waarheid en fictie en werkelijkheid en visioen. Het is een oud thema, maar in bekwame handen als die van Walter Kraut is het geen verkeerd thema.
               Niet dat dit per se moet maar over het autobiografische gehalte van het boek kan ik niets zeggen. Ik weet dat mensen hier altijd benieuwd naar zijn, zeker familieleden en buren, en verplegend personeel in een ziekenhuis, ik spreek uit eigen ervaring, maar zoals al gezegd: ik ken Walter Kraut niet. Lijkt hij ook maar enigszins op de mannelijke hoofdpersoon van het boek, dan wil ik dat graag zo houden, want dan kan hij beter worden gemeden als de pest. Het enige gunstige dat van de hoofdpersoon kan worden gezegd is dat hij vaak in bad gaat en dus wel schoon is. Lichamelijk gezien dan, want geestelijk is het een vies oud wrak.
               Dat zijn overigens vaak wel de beste hoofdpersonen, zeg ik als collega.
               Blauwe ogen begint als een soort Lolita van de grote schrijver Vladimir Nabokov en eindigt als een soort Ada van de grote schrijver Vladimir Nabokov. En toch is het boek volstrekt oorspronkelijk en origineel.
               Er zitten ook wijze opmerkingen in, zoals de volgende: ‘Verveling bestond niet als je in je eentje was. Het was iets wat je met een ander deelde.’
               Op een gegeven moment schrok ik me een beroerte, want opeens kwamen er ook bekenden van mij in het boek voor. Aan ene Sophie (die ken ik niet) wordt op een gegeven moment gevraagd of ze zich het moment nog herinnerde dat Vincent haar dumpte voor Els. Nou, Vincent en Els ken ik wel, Vincent staat hier nu vrolijk wat voor zich uit te kijken / lachen / droevig te huilen (later in te vullen) - hij moet over een groot hart beschikken dat hij als redacteur deze opmerking heeft laten staan. Wacht maar, Vincent, in mijn volgende boek laat ik je een gruwelijke moord plegen op een klein jongetje, kijken of je dat ook nog leuk vindt.
               In de stille hoop dat de auteur niet lijkt op de hoofdpersoon van Blauwe ogen wil ik nu het eerste exemplaar aan Walter Kraut overhandigen. Daarna kunnen we, hoe schreef hij dat ook alweer, met elkaar onze verveling gaan delen, maar wel onder het genot van een drankje.
               Walter Kraut, gefeliciteerd, veel succes met je roman, ik heb genoten.
               (Auteur en feestredenaar vallen elkaar in de armen.)

13 januari 2005
Arie Storm

terug naar Pers